Als je het woord ‘macht’ hoort, denk je in eerste instantie aan slechtgezinde (wannabe-) wereldleiders, olieproducenten, de G8 en radiodeejays (alhoewel dat laatste steeds minder het geval is sinds de opkomst van het internet als vrij publicatie- en verspreidingsmedium, in tegenstelling tot vroeger, waar de radio nog wel je beste vriend was als het ging om het krijgen van bekendheid voor je liedjes).
Ik weet niet of ik macht heb. Ik weet niet of ik het wil hebben. Macht is als een wodkafles: het grijpt om zich heen en iedereen is ervan bezeten. Macht is als de duivel: kwaadaardig, maar toch raakt iedereen onder invloed. Het is fijn macht te hebben. Voor sommigen is het pure noodzaak: de macht of de dood. Maar waarom? Hoe komt het dat sommige mensen macht over anderen nodig hebben om voort te bestaan, terwijl anderen in totale eenzaamheid kunnen leven?
Wat is macht eigenlijk? Is macht wereldleiderschap? De gedachte god bij je te hebben? Misschien de gedachte god juist niet bij je te hebben dan? Heb je anderen nodig voor macht, of kun je ook in je eentje macht hebben? De pen schijnt machtiger dan het zwaard te zijn, terwijl tegelijkertijd journalisten onder de duim gehouden worden door wereldleiders. Zou het dan niet fijn zijn, als er een stad, of zelfs een land was, waar de regering geen voet aan de grond heeft en de bevolking alles direct voor het zeggen heeft?
De daken zouden vijftienduizend verschillend gekleurde blokjes zijn op de kaart, en geen groenteboer zou hetzelfde verkopen. Niemand zou hoeven strijden voor zijn burgerrechten, want iedereen zou elkaar respecteren. Sinterklaas zou geen groot rood boek meer nodig hebben. De activisten van nu zouden een nuttiger heenkomen kunnen zoeken en wij zouden rustig kunnen slapen.
Er zou geen auto meer gestolen worden, de hondenpoep zou worden opgeruimd en de ramen zouden open kunnen blijven staan. Niemand hoeft te strijden voor zijn gemak, niemand mist zijn tram. Het leven zou dus doodsaai zijn, laat mij maar strijden voor wat ik misschien nooit krijg.